Toelichting missie

Missie - Toelichting en bijbelse fundering
 
We beleven bijzondere tijden, waarin de veranderingen op alle gebied snel gaan. Dat geldt niet alleen in de samenleving, maar ook in de kerk die immers midden in de samenleving staat. Zichtbaar is dat bijvoorbeeld in de kerkdiensten. Terwijl de invoering van de Nieuwe Berijming van de Psalmen veel tijd en moeite vergde, zijn later het Liedboek, de kinderliederen, Opwekking en een Taizé-lied er sneller in gekomen. En een ingrijpende verandering, de keuze voor de Nieuwe Bijbel Vertaling, staat nog voor de deur.
 
Ook buiten de eredienst verandert er veel. Oudere leden herinneren zich, dat 'bijbelkringen' ooit een nieuwigheid waren. Intussen verwierven wijkkringen, gebedskringen en jongerenkringen hun eigen plaats, terwijl nu de begrippen Alpha-cursus en ministry-gebed nog nieuw klinken.
 
Meer dan ooit beseffen we, dat het nodig is om over deze ontwikkelingen met elkaar te praten en in een open communicatie met God en elkaar te zoeken wat de wil van de Here is. Een onderdeel daarvan is om te komen tot het formuleren van een Missie, die antwoordt geeft op de vraag: "waar staan we eigenlijk voor als Nederlands Gereformeerde Kerk in Ede?". Deze missie is compact geformuleerd en daarom willen we er hier toelichting en achtergrond bij bieden.
 
Bij het formuleren van onze missie proberen we twee uitersten te vermijden. Aan de ene kant kun je zo algemene termen kiezen dat ze eigenlijk op iedere kerk van toepassing zijn en dan zegt het weinig voor onze situatie. Aan de andere kant zou je zo specifiek kunnen zijn dat het lijkt alsof Ede zich iets speciaals vindt en dat is niet de bedoeling. Daarom is gekozen voor een mengvorm, waarbij eerst zo helder mogelijk wordt aangegeven wat de algemene basis is waar we als op kerk willen staan, terwijl daarna beschreven wordt, wat nu specifiek is voor Ede.
 
1. Roeping
Gemeente zijn begint met roeping, sinds het moment dat God na de zondeval sprak 'Adam, waar zijt gij?' (Genesis 3:9). Nog altijd bestaat een gemeente uit 'geroepen heiligen' (1 Corinthe 1:2) en daarom spreken we eerst van de roeping om het lichaam van Christus te zijn (1 Corinthe 12: 27). Paulus schrijft dit aan een plaatselijke kerk. Het laat natuurlijk onverlet dat ook een andere gemeente het lichaam van Christus is. Toch betekent dit in de Bijbel niet dat zo'n plaatselijke kerk 'een deel van het lichaam' genoemd wordt en daarom hebben wij dat ook niet gedaan. In de gebroken kerkelijke situatie van vandaag willen we er wel heel duidelijk bij zeggen, dat het hier om roeping en niet om pretentie gaat. We suggereren geen ogenblik dat we méér dan een ander "lichaam van Christus" zouden zijn.
 
Wat de roeping inhoudt, is in drie richtingen omschreven. Het is om God te eren (Efeze 3:21), om samen het geloof te oefenen (Efeze 4: 12 en 13) en om de wereld voor Christus te winnen (Mattheüs 5: 13-16). Zeker, we komen in de kerk voor wat we zelf nodig hebben: opbouw, bemoediging en onderlinge hulp. Maar zou dat het enige zijn, dan werden we consumenten en dat risico bestaat best. We zijn er echter eerst tot eer van God. En we zijn er ook voor het werk van God, de grote opdracht, om de wereld voor Christus te winnen. Een lamp onder de korenmaat, dat kan en mag niet. Dit alles verstaan we als onze roeping. Dat is nog iets anders dan dat we een stappenplan zouden hebben om dit even aan te pakken. Nee, de roeping dringt niet eerst om van alles te doen, maar om te bidden. Dat geloven we, en we hebben het als gemeente ook steeds ervaren. Gebed tot God (Vader, Zoon en Heilige Geest) is de levensader van een gemeente.
 
2. Basis
De basis voor al het werk in de gemeente ligt in het Woord van God, zoals we dat in de Bijbel vinden. In de formulering zijn de drie 'sola's' van de Reformatie te herkennen: Sola Scriptura, Sola Gratia en Sola Fide. Dat is, in rond Hollands gezegd: bij ons geldt het gezag van de Schrift alleen en niet dat van traditie of belangrijke mensen (1 Corinthe 3:11). En we horen bij Christus uit genade alleen en niet door genade plus onze eigen goede keus (Efeze 2:8). In die genade delen we door het geloof alleen en niet door geloof plus onze vrome daden (Galaten 2:16).
 
Met deze opstelling staan we in de gereformeerde traditie, uitgedrukt in de genoemde geloofsbelijdenissen. Deze belijdenis zal te herkennen zijn in de preken in onze gemeente, en ook in de gesprekken met wie zich bij onze gemeente willen voegen.
 
3. Eigenheid
Het is een gegeven, dat onze gemeente bestaat uit mensen die uit vele kerken en tradities zijn samengekomen, om te schuilen bij God en zijn Woord. Wanneer we dat onze eigenheid noemen is dat niet omdat we ons willen onderscheiden, maar om bespreekbaar te maken, wat we met dit gegeven doen.
 
En dan vinden we het belangrijk om deze eigenheid niet te zien als een nadeel, een belemmering, iets dat je bestrijden moet. Maar we willen proberen om de verscheidenheid van tradities in onze gemeente te gebruiken om er het evangelie en de eer van God mee te dienen. In de tijd van het Nieuwe Testament telde de gemeente christenen uit de Joden en uit de heidenen. Daar speelde nog heel wat sterker dan bij ons, dat de leden hetzelfde evangelie geloofden, maar uit heel verschillende tradities kwamen.
 
Vaak was dat moeilijk; men was geneigd elkaar niet op de inhoud maar op de gebruiken te beoordelen. Toch is daar met succes tegen gestreden en gebeden en zo kan Paulus in de brief aan Efeze schrijven, dat de verscheidenheid in de gemeente een getuigenis aan de engelen is: "opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden" (Efeziërs 3:10). Van diezelfde verscheidenheid wordt even later gezegd, dat we alleen samen met alle heiligen kunnen vatten, hoe hoog en breed en diep de liefde van Christus is (Efeziërs 3:18). In die geest bedoelen we het als we zeggen, dat ons verlangen is dat de eer van God erin uitkomt, dat we op veelkleurige wijze de liefde van Christus laten zien.
 
Hoe dit verlangen vervuld kan worden, dat blijft overigens een zaak van goed overleg in zoeken en bidden.
 
4. Uitwerking
Als we onze roeping verstaan, onze basis weten en onze eigenheid onderkennen, dan komt de vraag hoe je dat uitwerkt in de praktijk. De missie zal daar slechts beknopt op kunnen ingaan; voor een nadere uitwerking dient immers beleid geformuleerd te worden. Hier worden de twee voornaamste punten belicht, samen te vatten als woord en daad, verkondiging en diaconie. Beiden zijn uitwerking van hetzelfde evangelie, de bron waaruit we drinken.
 
Wat de verkondiging betreft: we willen het evangelie doorgeven, trouw aan de bood-schap en verstaanbaar in eigen tijd en cultuur. Deze weg zoeken we met vallen en opstaan: er kunnen ook dingen fout gaan, waar we dan eerlijk voor uit willen komen. Er is maar één reden waarom we deze moeilijke weg gaan: omdat we willen doorgeven. Doorgeven aan elkaar, onze kinderen en onze naasten. En wij leven in déze wereld, tijd en cultuur (Johannes 17:15). Het lijkt ons ondenkbaar, dat de manier van doorgeven dezelfde zou kunnen blijven als die tijd en cultuur zelf veranderen. Het evangelie zelf is veel méér dan de cultuur en daarom is het ‘t waard om steeds te zoeken naar nieuwe wegen om het evangelie te laten klinken.
 
Wat het dienstbetoon betreft: zonder meeleven met elkaar kan er geen getuigenis naar buiten zijn. Van de eerste gemeente was juist de onderlinge liefde het getuigenis naar de wereld (Handelingen 2: 41-47). Wanneer Paulus uitwerkt wat het is om één lichaam in Christus te zijn, dan heeft hij het over ongeveinsde liefde, gastvrijheid, volharden in het gebed, blij zijn met de blijden en wenen met de wenenden (Romeinen 12: 9-21). Waar we samen leven, samen bidden en samen God ook dankzeggen, wordt ons geloof gebouwd, terwijl juist liefdeloosheid de doorwerking van de Geest in ons leven kan blokkeren. Woord en dienst, ze komen samen in wat Petrus schrijft in 1 Petrus 4:11: "Spreekt iemand, laten het woorden zijn als van God; dient iemand, laat het zijn als uit kracht, door God verleend".
 
5. Perspectief
Bij dit onderdeel is belangrijk, dat we proberen een visie op de groei van onze gemeente te formuleren. Wij willen de groei van onze gemeente niet behandelen als een probleem waar je oplossingen voor moet zoeken. We willen anderzijds een stijgend ledental ook niet als ons hoogste doel beschouwen. Groei kan alleen goed gaan, wanneer kwantitatieve en kwalitatieve groei hand in hand gaan. Over die kwalitatieve groei spreekt Paulus in zijn brief aan de Efeziërs, wanneer hij zegt: "dan groeien wij, ons aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het hoofd is, Christus" (Efeziërs 4:15).
 
Zo kwamen we tot de formulering, dat we ernaar uitzien om te mogen groeien, niet alleen in aantal maar vooral ook in liefde tot God en dienst aan de naaste. Als dit onze missie is, zullen we de gemeente zo moeten inrichten, dat we kunnen verlangen naar groei in aantal en kwaliteit.
 
We wijzen hier ook op de formulering "dienst aan de naaste". Evangelisatie is niet het enige wat de kerk met de wereld te maken heeft. Je naaste liefhebben omvat meer, namelijk gewoon liefde en dienst. De onderlinge liefde in de gemeente is dan ook geen doel op zichzelf, maar leerschool voor de naastenliefde in bredere zin. Wanneer Petrus de weg van het geloof beschrijft als een ladder met vele sporten, eindigt die beschrijving met de opwekking om door godsvrucht de broederliefde te versterken en door broederliefde de liefde jegens allen (2 Petrus 1: 7).Wij leggen in onze traditie de nadruk daarbij minder op maatschappelijke taken van de kerk als instituut en meer op roeping voor de individuele gemeenteleden, waar ze in de kerk toe gestimuleerd moeten worden.
 
Het uiteindelijke perspectief van de gemeente is, de wederkomst van Christus te verwachten. Juist in dat perspectief zijn kerkelijke muren ondergeschikt aan de eenheid in Christus, die we dan ook zoeken over grenzen heen. Alleen samen met alle heiligen zullen we hoogte, breedte en diepte van Christus’ liefde kennen (Efeziërs 3: 18).